‘Tetraploïde grasrassen lopen voorop door veredeling’

Waarom kiezen steeds meer veehouders voor tetraploïde Engels raaigras? Dankzij de snelle vestiging, hoge voederwaarde en sterke plantgezondheid winnen deze rassen snel aan populariteit. Ruwvoerspecialist Christiaan Bondt legt uit wat tetraploïde grassen onderscheidt van diploïde rassen en welke rol ze kunnen spelen bij herinzaai en doorzaai van grasland.

‘Een snelle beginontwikkeling, meer celinhoud en daardoor een betere voederwaarde en een hoge resistentie tegen kroonroest. De inzet van tetraploïde Engels raaigrasrassen heeft echt meerwaarde.’ Aan het woord is Christiaan Bondt, ruwvoerspecialist bij DLF. Tot zijn tevredenheid ziet hij dat veehouders steeds vaker grasmengsels kiezen met daarin tetraploïde rassen. Maar wat is eigenlijk het verschil met de diploïde grasrassen? ‘Het verschil zit in de genetica. Tetraploïde rassen hebben een celkern die een keer vaker is gedeeld. Daardoor hebben ze vier paar chromosomen, tegen twee paar chromosomen bij diploïde rassen. Je kunt het iets zien aan de grootte van het blad. Tetra’s zijn grovere planten met een iets breder blad. Maar het zijn vooral de eigenschappen voor kwaliteit, plantgezondheid en opbrengst die afwijkend hoger zijn’, legt Bondt uit.

Doorzaaien met tetraploïde grassen

Tetraploïde grasrassen zijn al zestig jaar commercieel beschikbaar, maar veroveren pas de laatste jaren echt terrein. ‘Bij de eerste tetraploïde rassen lag de kwaliteit meteen op een hoger niveau. Maar omdat de diploïde rassen beter uitstoelden en minder gevoelig waren voor vertrapping, en dus een betere standvastigheid hadden, was de meerwaarde qua opbrengst niet meteen merkbaar. Daarom bleef de inzet in de beginjaren achter. Dankzij veredeling werden tetra’s steeds beter voor deze eigenschappen. Op dit moment is er met 8,2 voor tetra en 8,3 voor diploid geen significant verschil in standvastigheid. Inmiddels durf ik wel te stellen dat tetraploïde rassen voorop lopen en net zo goed inzetbaar zijn voor beweiding als diploïde.’ Bondt ziet steeds minder vraag naar standaard BG-mengsels, omdat hier geen tetra’s in mogen zitten.

Volgens Bondt lenen tetraploïde rassen zich ook heel goed voor het doorzaaien. ‘Tetra’s hebben een snelle beginontwikkeling. Het zaadje is wat grover, bevat meer energie en vestigt zich agressiever in een bestaande grasmat.’ Hij adviseert om regelmatig bestaande, meerjarige graspercelen goed te analyseren op open plekken en onkruiden om te besluiten of doorzaaien een optie is. ‘Afhankelijk van je bouwplan en grondsoort zou ik regelmatig de grasmat vernieuwen of doorzaaien. We hebben in proeven gezien dat dat zomaar voor een meeropbrengst van anderhalve ton droge stof per hectare kan zorgen. Natuurlijk is het een investering, maar de huidige hoge grondprijzen laten niet toe dat je hectares niet optimaal benut.’

Voor het juiste mengsel wijst Bondt naar de aanbevelende rassenlijst voor voedergrassen, waarbij opbrengst en plantgezondheid centraal staan. ‘Elk jaar zijn er weer nieuwe rassen die beter zijn dan het gemiddelde van de rassenlijst. Die vooruitgang kun je benutten door de juiste rassen te kiezen die het beste passen bij de eigen bedrijfssituatie.’

Veredeling op efficiëntie

Volgens Bondt kijken veredelaars minimaal vijftien jaar vooruit om tijdig de gewenste raseigenschappen in nieuwe rassen vast te leggen. ‘De selectie ligt nu met name op voederwaarde, droogtetolerantie, ziekteresistentie en nutriëntenefficiëntie, eigenschappen die niet alleen in Nederland en Vlaanderen nu en in de toekomst van belang zijn, maar ook elders in Europa’, legt hij uit. ‘Hoe houd je met minder bemesting en meer droogte het gras gezond en productief? Dat zijn de uitdagingen. Daar kunnen de juiste tetraploïde grasrassen van de rassenlijst zeker de hoofdrol in spelen.’