Droogte 2026: ‘Wat er nu niet valt, moet later worden gecompenseerd’

‘Een neerslagtekort in lijn met droogtejaar 1976.’ Ruwvoerspecialist Christiaan Bondt vertelt over beregenen, mineralisatie en de mengselkeuze voor droogtetolerant grasland.
Eerste snede 2026

Het grootste deel van de eerste snede is geoogst. Dat gebeurde relatief vroeg, met een gemiddelde opbrengst en naar verwachting een hoge kwaliteit. Met name in de eerste oogstweek was het gras zeer suikerrijk; menig loonwerker kan bevestigen dat het daardoor lastig te verwerken was. De maïs zit voor het grootste deel in de grond en de laatste hand wordt aan de Gecombineerde opgave gelegd. En toch beheerst één thema steeds meer de gesprekken in de stal en op het erf: het is opnieuw droog.

Neerslagtekort in lijn met 1976

Op 9 mei 2026 bedroeg het landelijk neerslagtekort 80 millimeter. Het KNMI noemt dat in lijn met het schema van recordjaar 1976, een jaar dat nog steeds als ijkpunt geldt voor extreme droogte in Nederland. Een nuance: het KNMI berekent sinds dit jaar het neerslagtekort over het hele jaar in plaats van alleen over de periode 1 april tot en met 30 september. Het landelijke gemiddelde komt voort uit dertien weerstations verspreid over het land. Lokaal lopen de verschillen behoorlijk uiteen, ervaart Christiaan Bondt, Ruwvoerspecialist bij DLF Benelux. ‘Tussen mijn eigen percelen zat al 15 millimeter verschil. De bui valt, of niet. Maar dit zijn cijfers die het waard zijn om bij stil te staan.’

Neerslagtekort mei 2026

Bredere afweging rondom beregenen

Beregenen wordt vaak uitgesteld, maar verdient bij aanhoudende droogte een eerlijke afweging. Met de huidige energieprijzen kost beregenen al snel circa 10 euro per millimeter. Een gift van 25 tot 30 millimeter komt daarmee uit op ruim 250 euro per hectare. Bij een kostprijs van gras op stam van 12 cent en een ruime voervoorraad valt dat lastig direct terug te rekenen. Toch loont het om breder te kijken, vindt Bondt. ‘Mineralenefficiëntie, onkruiddruk en behoud van de zode op de lange termijn zijn argumenten om de bodem zo veel mogelijk in leven te houden door waar mogelijk water te geven. Niet vanwege acute schade aan het gras, maar omdat het bodemleven in ruststand gaat zodra het te droog wordt.’

Het belang van mineralisatie

Door de beperkingen aan de stikstof-inputkant wordt mineralisatie, het bodemproces waarbij organische stof door het bodemleven wordt omgezet naar plantbeschikbare voedingsstoffen, steeds belangrijker. En dat bodemleven heeft water nodig. ‘Steek bij droogte een spade in de grond en er is een grote kans dat je wormen vindt die opgerold liggen. Een zichtbaar teken dat ze in ruststand gaan totdat er weer voldoende vocht is’, zegt Bondt. ‘Hetzelfde geldt voor het minder zichtbare bodemleven: bacteriën, protozoa en schimmels.’ Veel planten halen water uit diepere lagen, maar mineralen komen vooral vrij in de bovenste bodemlaag. Het effect van droogte volgt daardoor vaak later. De ‘kater’ wordt pas weken na de eerste droge periode echt zichtbaar in de opbrengst.

Duidelijk verschil in mate van droogtetolerantie voedergrassen

Hoeveel water heeft gras nodig?

Een rekensom maakt de uitdaging tastbaar. Engels raaigras heeft circa 300 tot 400 liter water nodig om 1 kilogram droge stof te produceren. Voor een tweede snede van 2.500 kg droge stof per hectare betekent dat minimaal 75 millimeter water. Een gemiddelde meimaand in Nederland levert meestal niet meer dan dat, en in 2026 zelfs aanzienlijk minder. ‘Niet alles hoeft via beregening te worden aangevuld’, zegt Bondt. ‘Maar wat er nu niet valt, moet vroeg of laat worden gecompenseerd. Door regen, door beregening of door grasrassen die meer doen met minder water.’

Grasveredeling, kruiden en festulolium

Daar komt de plantenveredeling in beeld. Op de foto hierboven kun je het verschil in droogtetolerantie tussen verschillende voedergrassen goed terugzien. DLF selecteert in zijn veredelingsprogramma op droogtetolerantie, waardoor Engels raaigras tegenwoordig beter bestand is tegen droge omstandigheden dan een paar decennia geleden. Tegelijk blijft de waterbehoefte van Engels raaigras op die 300 tot 400 liter per kilogram droge stof staan.

Klavers en kruiden wortelen aanzienlijk dieper en kunnen vocht uit lagere bodemlagen benutten. AgritaiN smalle weegbree van DLF vormt een penwortel die tot circa 80 centimeter diep kan reiken. Daar komt nog een interessant fenomeen bij: aqua lifting. Water dat door diepe wortels van klavers en kruiden uit lagere bodemlagen wordt opgenomen, wordt deels weer afgegeven in de bovenste 20 centimeter van de bodem. ‘Dat is een van de redenen waarom kruidenrijk grasland na een droge periode vaak sneller herstart’, legt Bondt uit.

Een derde route loopt via festulolium: een kruising van Engels raaigras met rietzwenkgras. De nieuwste DLF-rassen, Raaigras Plus en Rietzwenk Plus, combineren de voederkwaliteit en snelle groei van Engels raaigras en met de droogtetolerantie van rietzwenk. Raaigras Plus levert tot 20 procent meer opbrengst dan Engels raaigras en heeft één tot twee jaar langere standvastigheid dan Italiaans raaigras. Rietzwenk Plus heeft dezelfde diepe wortelmassa als rietzwenkgras, maar met een betere voederwaarde in voorjaar en zomer.

Wat dat betekent voor het melkveebedrijf

Door de combinatie van actuele droogte, een veranderend klimaat en de toenemende rol van mineralisatie verschuift de vraag van óf een melkveebedrijf in droogtetolerantie investeert naar wélke combinatie daarbij past. Voor de ene ondernemer is dat een mengsel met festulolium voor stabielere opbrengsten, voor de andere kruidenrijk grasland voor de diepere beworteling en aqua lifting, en voor weer een ander de afweging om beregening niet langer uit te stellen. Bondt: ‘Er is geen standaardrecept. Ieder bedrijf moet zelf de afweging maken op basis van grondsoort, bedrijfsvoering en het type droogte waarmee men het meest te maken heeft.’ Wat alle keuzes met elkaar verbindt: een grondhouding dat droogte geen incidentele uitzondering meer is, maar een terugkerend onderdeel van de bedrijfsvoering. De keuzes die nu gemaakt worden in mengsels, in beregening en in bodembeheer bepalen hoe stabiel de ruwvoeropbrengst van het bedrijf de komende jaren blijft.